District Court Judgement in the Wesam al Delaema case, 12-12-2005 (Dutch)

Parketnummer: 10/000304-04
Datum uitspraak: 12 december 2005

UITSPRAAK

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken op het verzoek van de autoriteiten tot uitlevering van:

[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres: [adres], thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [ ],
verder te noemen: de opgeëiste persoon.

PROCEDURE

De autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika hebben d.d. 19 september 2005 aan het Nederlandse Ministerie van Justitie een verzoek tot uitlevering ter vervolging van de opgeëiste persoon gedaan en daartoe stukken overgelegd.

De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering d.d. 23 september 2005 gevorderd dat de rechtbank het uitleveringsverzoek in behandeling zal nemen en heeft een beslissing over de gevangenhouding van de opgeëiste persoon verzocht.

Op 28 november 2005 heeft de rechtbank ter openbare zitting gehoord:
- de officier van justitie, mr. Van Ling;
- de opgeëiste persoon alsmede zijn raadsman, mr. V.L. Koppe, advocaat te Amsterdam.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toelaatbaarheid van de uitlevering en heeft een schriftelijke samenvatting daaromtrent aan de rechtbank overgelegd.

VERZOEK

De uitlevering wordt verzocht met het oog op een tegen de opgeëiste persoon ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan de feiten omschreven in de door de verzoekende staat tegen de opgeëiste persoon uitgebrachte Indictment, Criminal No. 05-337 van The United States District Court for the District of Columbia d.d. 9 september 2005. Van deze Indictment en van de daarbij gevoegde vertaling in het Nederlands is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie aan deze uitspraak gehecht, waarvan het tussen haken geplaatste gedeelte, bevattende de omschrijving van de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd, als hier ingevoegd dient te worden beschouwd.

TOEPASSELIJK VERDRAG

Van toepassing is het Uitleveringsverdrag Nederland-Verenigde Staten van Amerika (Trb. 1980, 111), verder te noemen het Verdrag NL-USA.

IDENTITEIT VAN DE OPGEËISTE PERSOON

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij is de persoon genoemd en nader aangeduid in het uitleveringsverzoek en dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. Nu er geen aanwijzingen zijn voor het tegendeel, gaat de rechtbank uit van de juistheid van die verklaring.

GENOEGZAAMHEID VAN DE STUKKEN

Onder de overgelegde stukken bevinden zich een afschrift van de toepasselijke wetsbepalingen en de overige noodzakelijke gegevens met betrekking tot de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht.

De stukken voldoen aan de eisen van artikel 9, tweede lid, van het Verdrag NL-USA.

DUBBELE STRAFBAARHEID

De feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, zijn volgens de overgelegde wetsbepalingen naar Amerikaans recht strafbaar. Ter zake van die feiten kan ingevolge die bepalingen telkens een vrijheidsstraf worden opgelegd van ten minste één jaar.

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft gesteld dat de feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht naar Nederlands recht niet strafbaar zijn. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd.
Op grond van artikel 2, lid 3 onder a van het Verdrag NL-USA dient de rechtbank na te gaan of zij rechtsmacht zou kunnen uitoefenen in het hypothetische geval dat Nederlanders in Irak het doelwit zouden zijn geweest van een persoon die niet de Nederlandse nationaliteit heeft. Van belang daarbij zijn de onderdelen 13 en 15 van artikel 4 van het Wetboek van Strafrecht. Op basis van de Wet terroristische misdrijven kan de Nederlandse strafrechter in het onderhavige geval geen rechtsmacht uitoefenen, nu deze wet pas op 10 augustus 2004 in werking is getreden, terwijl de hypothetische feiten zouden dateren van 30 oktober 2003. Dit geldt niet voor het Verdrag van New York ter bestrijding van terroristische bomaanslagen; op grond van dit verdrag is aan artikel 4 van het Wetboek van Strafrecht onderdeel 13 toegevoegd, dat in werking is getreden op 1 januari 2002.
Ten tijde van het (vermeende) plegen van de feiten door de opgeëiste persoon in Irak was er in Irak echter een internationaal gewapend conflict gaande. Nu de feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht toegestaan zijn onder het internationale humanitaire recht in een internationaal gewapend conflict, vallen deze feiten krachtens artikel 19 van het Verdrag ter bestrijding van terroristische bomaanslagen niet onder dit verdrag. Derhalve is er in het onderhavige geval geen sprake van de voor uitlevering vereiste dubbele strafbaarheid, aldus de raadsman.

Naar aanleiding van dit gevoerde verweer overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat in het onderhavige geval het Verdrag ter bestrijding van terroristische bomaanslagen van toepassing is.
De raadsman heeft zijn stelling dat op 30 oktober 2003 sprake was van een internationaal gewapend conflict in Irak onderbouwd met een verwijzing naar Resolutie 1483 van 22 mei 2003 van de VN - Veiligheidsraad. In de visie van de raadsman moeten ook “Irakese strijders” in welke hoedanigheid dan ook, als aan dat internationaal gewapend conflict deelnemende partij worden beschouwd.
Naar het oordeel van de rechtbank dient allereerst de stelling van de raadsman met betrekking tot het internationaal gewapend conflict te worden besproken.
In resolutie 1483 worden de Verenigde Staten van Amerika en Groot-Brittannië erkend als 'occupying powers', de bezetter. Anders dan de raadsman, leest de rechtbank in de door de raadsman geciteerde passage uit de preambule van de resolutie, geen steun voor zijn stelling dat er ten tijde van het aannemen van de resolutie en ten tijde van de activiteiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht, een situatie van een internationaal gewapend conflict bestond. Als er sprake is (geweest) van een internationaal gewapend conflict, dan is daaraan, naar het oordeel van de rechtbank, met de bezetting van Irak een einde gekomen. In dit oordeel wordt de rechtbank gesterkt door allereerst de volledige tekst van de preambule en de inhoud van resolutie 1483 en voorts door het feit dat de president van de Verenigde Staten op 1 mei 2003 de 'combat operations' officieel voor geëindigd heeft verklaard. Vooralsnog is dus niet aannemelijk geworden dat er op 30 oktober 2003 een internationaal gewapend conflict in Irak gaande was, zodat de grond aan de stelling van de raadsman dat de activiteiten van de opgeëiste persoon zouden zijn toegestaan volgens het internationale humanitaire recht, komt te ontvallen. Het verweer wordt derhalve verworpen. Onbesproken kan blijven de stelling van de raadsman ten aanzien van de status van personen door hem aangeduid als “Irakese strijders”, in het door de raadsman bedoelde internationaal gewapend conflict.

Naar Nederlands recht zijn de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht bij een overeenkomstige inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar, te weten als: overtreding van artikel 2 van het Verdrag ter bestrijding van terroristische bomaanslagen, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 2 van het Verdrag ter bestrijding van terroristische bomaanslagen in verbinding met artikel 4 13?, 45, 47, 157, 289 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Voor deze feiten kan naar Nederlands recht telkens een vrijheidsstraf van ten minste één jaar worden opgelegd.

ONSCHULD VAN DE OPGEËISTE PERSOON

De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij onschuldig is aan de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht, omdat hij die feiten onder dwang zou hebben gepleegd. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de door de opgeëiste persoon gestelde omstandigheden, wat er ook zij van de juistheid daarvan, niet de conclusie rechtvaardigen dat daarmee onverwijld, dus zonder diepgaand onderzoek, zijn onschuld wordt aangetoond. De rechtbank is evenmin gebleken dat er te zijnen aanzien geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan feiten zoals in het Indictment genoemd, ter zake waarvan de uitlevering ter vervolging wordt gevraagd. Er is voldoende bewijsmateriaal voorhanden om een aanhouding en dagvaarding van de opgeëiste persoon te rechtvaardigen, aangezien het, indien strafvervolging voor een Nederlandse strafrech-ter zou plaatsvinden, niet hoogst onwaarschijnlijk zou zijn dat deze, later oordelend, door de geleverde bewijsvoering de ten laste gelegde feiten geheel of gedeeltelijk bewezen zou achten.

OVERIG GEVOERD VERWEER

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft aangevoerd dat uitlevering ontoelaatbaar is, nu de opgeëiste persoon erop kon en mocht vertrouwen dat hij voor de Nederlandse rechter vervolgd zou worden. Dit vertrouwen is gerechtvaardigd, gezien het feit dat de opgeëiste persoon Nederlander is en zijn vervolging in Nederland voor de feiten waarvoor thans uitlevering wordt verzocht al in een vergevorderd stadium verkeerde, aldus de raadsman.
De rechtbank overweegt naar aanleiding van dit verweer het volgende.
Tot op het moment waarop met het onderzoek ter terechtzitting wordt aangevangen door het doen uitroepen van de zaak, is het openbaar ministerie, dominus litis in het Nederlandse strafproces, bevoegd de dagvaarding in te trekken. Geen rechtsregel verbiedt het openbaar ministerie om, vóórdat een dagvaarding is uitgebracht, de vervolging in een strafzaak op te schorten in afwachting van de behandeling van en definitieve beslissing op een verzoek om uitlevering van de verdachte. Gevolg geven aan een dergelijk verzoek is ook in beginsel in overeenstemming met het eveneens door de raadsman genoemde adagium “dedere aut iudicare”, in welk adagium het beginsel van de uitlevering voorop staat en voorts de verplichting is te lezen om, indien die uitlevering om een of andere reden niet zou (kunnen) plaatsvinden, over te gaan tot (verdere) strafvervolging in het aangezochte land.
Van een staken van de strafvervolging in de onderhavige zaak - eveneens door de raadsman aan de orde gesteld - is overigens (nog) geen sprake. Naar de officier van justitie ter terechtzitting heeft verklaard zal de minister van Justitie daartoe (eventueel) overgaan wanneer de beslissing op het verzoek om uitlevering definitief is.

Zo er al bij de opgeëiste persoon de verwachting mocht bestaan dat hij voor een rechtbank in Nederland zou worden vervolgd, dan is deze verwachting niet op te vatten als een rechtens te respecteren vertrouwen, waaraan het openbaar ministerie gebonden zou zijn, terwijl het schenden van die verwachting evenmin zou moeten leiden tot ontoelaatbaarheid van de uitlevering.
Ook dit verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

SLOTSOM

Nu ten aanzien van de feiten ter zake waarvan de uitlevering ter strafvervolging wordt verzocht, is bevonden dat aan alle daarvoor in de wet en het toepasselijke verdrag gestelde eisen is voldaan, dient de gevraagde uitlevering toelaatbaar te worden verklaard.

TOEPASSELIJKE ARTIKELEN

De beslissing is, behalve op de reeds genoemde artikelen, gegrond op
de artikelen 1, 2 en 9 van het Verdrag NL-USA,
de artikelen 2, 4, 5, 26 en 28 van de Uitleveringswet,
artikel 4 ?13, 45, 47, 157, 289 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
artikel 2 van het Verdrag ter bestrijding van terroristische bomaanslagen.

BESLISSING

De rechtbank:

VERKLAART TOELAATBAAR de uitlevering aan de Verenigde Staten van Amerika van
[opgeëiste persoon], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ter strafvervolging van de feiten omschreven in de hiervoor genoemde Indictment.

Deze beslissing is genomen door:
mr. Van Klaveren, voorzitter,
mrs. Van der Kaaij en Van den Enden, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Rijnaarts, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 december 2005.

De jongste rechter is buiten staat te ondertekenen. 

Source: www.rechtspraak.nl

Page Tools
Share |